|
Promotie in academische zin is het behalen van de academische graad van doctor door het schrijven en publiekelijk verdedigen van een proefschrift, al dan niet met stellingen, aan een universiteit, of althans onder supervisie van een hoogleraar die als promotor optreedt. Degene die gaat promoveren wordt een promovendus (Nederland) of doctorandus (Vlaanderen) genoemd. Degene die bij een bepaalde hoogleraar gepromoveerd is, wordt formeel als diens promotus aangeduid.
OverzichtIn het spraakgebruik is een "promotie" een onderzoeksproject van meestal enkele jaren, dat uitmondt in een proefschrift. Strikt genomen is de promotie echter slechts het ondeelbare moment waarop de hoogleraar die als promotor optreedt de promovendus (of doctorandus) bevordert tot doctor, tijdens de promotieplechtigheid, na de verdediging en de beraadslaging door de promotiecommissie. Eigenlijk dient de begeleider van een promotieonderzoek daarom te worden aangeduid als beoogd promotor. Het onderzoek voor een promotie wordt veelal aan een universiteit uitgevoerd, maar noodzakelijk is dat niet. Het is ook mogelijk als "buitenpromovendus" te promoveren, bijvoorbeeld als medewerker van een niet-universitaire onderzoeksinstelling, zoals een researchlaboratorium in het bedrijfsleven, of een perifeer ziekenhuis. In de vakken die niet van uitgebreide faciliteiten afhankelijk zijn kan iemand zelfs thuis zijn proefschrift schrijven. ToelatingOm tot promotie toegelaten te worden moet men eerst het doctoraalexamen (academische graden doctorandus, meester in de rechten of ingenieur) of een daarmee gelijk te stellen examen hebben behaald (bijv. Master of Science, Master of Arts). Alhoewel niet gebruikelijk, zijn hierop soms uitzonderingsgevallen. Iemand die geen doctoraalexamen heeft gedaan kan, in grote uitzondering, toch tot de promotie worden toegelaten als hij aannemelijk kan maken dat hij in staat is zelfstandig wetenschappelijk onderzoek te verrichten en met gerede kans op succes een proefschrift kan voltooien. Hij dient hiervoor wetenschapsbeoefenaren en een promotor te vinden die (schriftelijk) garant voor hem staan. Het is echter niet altijd even makkelijk om in dat geval een promotor te vinden. EredoctoraatVeel universiteiten reiken soms eredoctoraten uit aan mensen die zich op bepaalde gebieden erg verdienstelijk hebben gemaakt. Dit zijn ofwel vermaarde geleerden op het betreffende vakgebied, of publieke figuren van bijzondere betekenis. Zo verleende de Leidse Universiteit in 1999 een eredoctoraat aan Nelson Mandela. Nederlandse universiteiten zijn niet royaal met eredoctoraten. Een Duitse hoogleraar met een zekere staat van dienst heeft vaak meerdere eredoctoraten, in Nederland is dat een uitzondering. Aanstellingen in NederlandPromovendi die hun onderzoek aan een universiteit uitvoeren zijn in Nederland doorgaans in dienst van die universiteit. Zij worden gezien als medewerkers die hun eigenlijke studie al achter de rug hebben, bij de universiteit werken om bij te dragen aan de onderzoekstaak die universiteiten wettelijk hebben. Daarnaast geven promovendi vaak ook les aan studenten. Sommige universiteiten overwegen om ook promovendi als studenten op te vatten en daarom een beurs in plaats van een salaris te geven, iets wat in het buitenland minder ongebruikelijk is. De Hoge Raad heeft deze maatregel in 2006 echter geblokkeerd. Wettelijk bestaat in Nederland maar één soort doctorstitel, te vergelijken met de Angelsaksische "PhD". Dat brengt ook tot uiting dat het niet de afsluiting is van een studie, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Duitse doctor iuris-titel of de Amerikaanse JD-titel, die uitdrukkelijk worden verleend ter afsluiting van de betreffende studie. Degenen die dergelijke titels behalen zijn wel gewoon student. Promotieplechtigheid in NederlandDe promotie gaat volgens een vast ceremonieel, dat sterk per land en voor een deel ook per universiteit kan verschillen. Het onderstaande beschrijft de promotieplechtigheid in Nederland. Voordat de promotieplechtigheid plaatsvindt wordt er een promotiecommissie samengesteld, bestaande uit de eigen promotor en een aantal andere wetenschappers die soortgelijk onderzoek doen als de promovendus. Dit kunnen ook wetenschappers uit het buitenland zijn. De promovendus wordt geacht in representatieve kleding (traditioneel, maar niet noodzakelijk, in rokkostuum) te verschijnen en zich te laten bijstaan door twee paranimfen die zich in kleding voegen naar de promovendus. De paranimfen zijn meestal studievrienden of -vriendinnen, maar soms ook familieleden. Vrouwen gaan meestal gekleed in een speciale feestjurk waar verder geen speciale eisen aan worden gesteld behalve dat hij representatief moet zijn. De promotiecommissie bestaat uit de promotor(en) en eventuele co-promotoren, zijnde hoogleraren en universitaire docenten die de promovendus hebben begeleid, en andere hiervoor uitgenodigde opponenten. De promovendus verkleedt zich met de paranimfen in het zweetkamertje en zet daar meestal een handtekening op de muur (afhankelijk van de locatie). Daar worden de promovendus en de paranimfen opgehaald door de in traditioneel gewaad gestoken pedel van de universiteit die hen met een staf met bellen (de scepter) voorgaat naar de promotiezaal. De exacte volgorde is afhankelijk van de universiteit, bijvoorbeeld eerst de pedel, daarna de eerste paranimf, de promovendus en de tweede paranimf. Daarna staat iedereen in de zaal op en leidt de pedel de promotiecommissie binnen. De opponenten zijn ieder gehuld in de aan hun universiteit gebruikelijke toga met muts. Als ze zijn gaan zitten en hun muts hebben afgenomen mag iedereen op een teken van de pedel of de slag van de voorzitter van de vergadering weer gaan zitten. De zittingGedurende de zitting wordt de promovendus in openbaar debat aan de tand gevoeld over het proefschrift met de stellingen die hij zo goed mogelijk moet verdedigen. De hele plechtigheid duurt meestal precies 45 minuten. (Een uur minus het academisch kwartiertje). De promovendus spreekt de commissieleden aan met mijnheer de rector, hooggeachte promotor en hooggeleerde, zeergeleerde of geleerde opponent, naargelang hun status. De promovendus mag zijn paranimfen om raad vragen bij het beantwoorden van de vragen, maar in de praktijk komt dat hoogst zelden voor. De vragen die gesteld worden zijn in de regel binnen de promotiecommissie van tevoren al kenbaar gemaakt, maar uiteraard niet aan de promovendus. De voorzitter plant de tijd dan zo dat de eigen promotor als laatste de promovendus mag ondervragen. Dit is niet het geval bij de Universiteit Maastricht, de Vrije Universiteit en de Universiteit van Amsterdam, waarbij de eigen promotor geen vragen stelt tijdens de promotieplechtigheid. In sommige gevallen betekent dat, dat de andere opponenten niet al hun vragen kunnen stellen, in andere gevallen kan het zijn dat de promotor een heleboel tijd heeft en die geheel moet vullen. Als er weinig vragen over het proefschrift zijn, dan is het ook de kunst van de promovendus om tijd te rekken. De promovendus dient dan ook niet te antwoorden met een simpel ja of nee op een vraag, maar dient flink uit te weiden. Daarbij kan hij ingaan op zaken die niet direct met de vraag te maken hebben, maar bijvoorbeeld de vraagsteller uitgebreid bedanken voor zijn interessante vraag, hem complimenteren met zijn prestaties op wetenschappelijk gebied en vertellen hoe de promovendus is geïnspireerd door artikelen van deze persoon. Als de promovendus onverhoopt geen antwoord weet op een vraag, zal hij dit absoluut niet rechtstreeks melden. Wat hij dan meestal doet is de vraag in andere woorden herhalen en er nog wat zijdelings over uitweiden. De commissieleden zijn meestal zo vriendelijk niet op te merken dat de vraag onbeantwoord is gebleven. Aangezien een promotie over het algemeen een openbare plechtigheid is, zitten tijdens de promotieplechtigheid meestal de collega's en studiegenoten, familieleden, vrienden en bekenden van de promovendus in de zaal. De discussies die tussen de opponenten en de promovendus gevoerd worden zijn echter veelal zeer wetenschappelijk en formeel van aard. De aanwezigen in de zaal zal de inhoud daarvan grotendeels ontgaan. AfsluitingAls de 45 minuten om zijn komt de pedel binnen, stampt met zijn staf op de grond en roept luid: "Hora est!" ("het is tijd!"). De commissie trekt zich dan terug (de aanwezigen staan weer op bij het verlaten van de zaal door de hooggeleerden) om zich te beraden of aan de promovendus de doctorstitel kan worden verleend. Althans in theorie, want in de praktijk zal het nooit voorkomen dat de promotie niet doorgaat; als het proefschrift niet goed genoeg was laat men het niet op de plechtigheid aankomen om dat aan de promovendus mede te delen. Wel wordt hier de kwaliteit van de verdediging van het proefschrift besproken; daarvan is mede afhankelijk of de doctorstitel cum laude wordt verleend. Bij een briljant proefschrift kan een slechte verdediging er in beginsel alsnog voor zorgen dat het predicaat cum laude niet wordt toegekend, maar veel gewicht wordt toch niet gehecht aan de verdediging. Hierna komt de promotiecommissie weer binnen (zaal staat weer op) en reikt met een toespraakje (laudatio) aan de promovendus de doctorsbul uit, al dan niet cum laude, waarna de promovendus zich doctor mag noemen. De commissie en eventueel aanwezige andere hoogleraren (in toga) verlaten als eerste onder begeleiding de zaal. Tijdens dit laatste gedeelte zal de persoonlijke begeleider van de promovendus of de promotor een persoonlijke toespraak tot de jonge doctor houden, waarbij hij ingaat op de meer persoonlijke aspecten van het functioneren van de promovendus tijdens zijn of haar onderzoekswerk. Hierbij ontspant ieder zich en kan er soms flink gelachen worden. Hierna is er gelegenheid tot feliciteren en meestal een receptie. Juridisch is het zo dat de promovendus enigerlei verdediging van zijn proefschrift moet voeren. Hij moet dus iets, wat dan ook, zeggen in antwoord op de vragen. Doet hij dit niet, omdat hij bijvoorbeeld met stomheid geslagen is, dan is hij niet gepromoveerd. Een slechte verdediging is ook een verdediging en heeft voor de promovendus in de praktijk niet de consequentie dat men hem de doctorstitel zal onthouden. Overigens is de plicht tot verdediging niet in de wet vastgelegd maar alleen in de promotiereglementen van de universiteiten. In Nederland is de verdediging strikt beperkt tot drie kwartier. In België duurt deze soms wel vele uren. Wordt een opponerende hoogleraar door de pedel onderbroken met het hora est, dan hoeft de promovendus geen antwoord meer te geven. Er is een geval bekend van een promovendus die kort voor de plechtigheid door een hersenbloeding was getroffen die hem het spreken onmogelijk maakte. De promotor loste het probleem op door een vraag te stellen (lees: een toespraak te houden) die drie kwartier duurde, zodat er geen tijd meer was om de vraag te beantwoorden. Afwijkende ceremoniesIn Groningen heeft de promovendus de gelegenheid om zijn proefschrift aan het publiek toe te lichten voordat het officiële programma begint. Nadat de promovendus het proefschrift heeft toegelicht verlaat hij de zaal weer. Daarna volgt de procedure zoals hiervoor beschreven. Dit lekenpraatje wordt ook gehouden aan de Universiteit van Amsterdam, de Radboud Universiteit Nijmegen, de Vrije Universiteit, de Technische Universiteit Delft, de Universiteit Twente en aan de universiteiten van Wageningen, Tilburg en Maastricht, alleen wordt hierna direct doorgegaan met de plechtigheid. Verder wordt in Groningen in plaats van "Hora est!", "Hora finita!" gebruikt en in Twente wordt de verdediging afgesloten met de woorden "Mijnheer/Mevrouw de rector, de tijd is verstreken." In Rotterdam begint de plechtigheid na de opening door de voorzitter met een ca. 15 minuten durende lezing van de promovendus die in het kort toelicht waar het proefschrift waar hij de afgelopen jaren aan heeft gewerkt over gaat en wat de conclusies zijn. Hier maakt dit dus deel uit van het officiële programma, daarmee duurt de zitting dus geen 45 minuten maar precies een uur. In Eindhoven is het gebruikelijk dat de eerste vraag door de promotor gesteld wordt, welke altijd zal vragen het werk en de conclusies kort toe te lichten. Ook in Nijmegen houdt de promovendus aan het begin van de zitting een lezing van ca. 10 minuten over de inhoud van de dissertatie. De zitting duurt in Eindhoven en Nijmegen ook precies een uur. De promotieplechtigheid in Nijmegen en Tilburg begint en eindigt met een kort gebed, uitgesproken door de rector magnificus nadat iedereen binnen is en voordat de hoogleraren de zaal verlaten. Bij veel universiteiten is het sinds 1992 niet meer verplicht om stellingen toe te voegen bij een een proefschrift. De promovendus bepaalt dan zelf of hij/zij stellingen wil toevoegen. Ingeval een promovendus stellingen wil toevoegen, dan zijn dat er gewoonlijk een stuk of tien. Ongeveer een derde daarvan heeft betrekking op hetgeen er in het proefschrift wordt beweerd of aangetoond; ongeveer een derde gaat over het algemene vakgebied van de promovendus; de overige stellingen zijn vaak algemeen maatschappelijk of grappig bedoeld. De stellingen worden overigens altijd los bij het proefschrift gevoegd; lezers kunnen dan zelf besluiten wat zij ermee doen. Aan de Universiteit Leiden dragen promovendus en paranimfen een rok met niet een wit, maar een zwart vest (en een wit strikje). De aanspreekvormen voor de leden van de commissie zijn in Leiden: mijnheer de rector magnificus, hooggeschatte promotor en hoog/zeer/weledelgeleerde opponens. Uitstel of afstel van de promotieEen promotieplechtigheid verloopt bijna altijd gladjes. Wel komt het voor dat één of meerdere van de commissieleden flink tegengas geeft, of ronduit ontevredenheid toont over het behaalde resultaat, maar na afloop van de plechtigheid wordt de promotie altijd toegekend. De commissie heeft immers het werk al lang van tevoren gelezen en goedgekeurd. Een afkeuring na de plechtigheid zou niet alleen de promovendus blameren, maar ook de commissie en de universiteit. De enige mogelijke uitzondering hierop, zo wordt altijd gezegd, is dat er ter plekke fraude zou worden vastgesteld, bijvoorbeeld plagiaat. Het komt zo weinig voor dat een al goedgekeurd proefschrift toch niet tot een promotie leidt, dat dit de landelijke kranten zal halen. Voorbeelden:
Zie ook
Externe links
|
This article is from Wikipedia. All text is available under the terms of the GNU Free Documentation License.